Mannen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmanmandeheb gemand
jij, je, umantmandehebt gemand
hij, zij, hetmantmandeheeft gemand
wijmannenmandenhebben gemand
julliemannenmandenhebben gemand
zij, zemannenmandenhebben gemand