Meesteren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeestermeesterdeheb gemeesterd
jij, je, umeestertmeesterdehebt gemeesterd
hij, zij, hetmeestertmeesterdeheeft gemeesterd
wijmeesterenmeesterdenhebben gemeesterd
julliemeesterenmeesterdenhebben gemeesterd
zij, zemeesterenmeesterdenhebben gemeesterd