Nabijkomen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkom nabijkwam nabijben nabijgekomen
jij, je, ukomt nabijkwam nabijbent nabijgekomen
hij, zij, hetkomt nabijkwam nabijis nabijgekomen
wijkomen nabijkwamen nabijzijn nabijgekomen
julliekomen nabijkwamen nabijzijn nabijgekomen
zij, zekomen nabijkwamen nabijzijn nabijgekomen