Nagenieten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikgeniet nagenoot naheb nagenoten
jij, je, ugeniet nagenoot nahebt nagenoten
hij, zij, hetgeniet nagenoot naheeft nagenoten
wijgenieten nagenoten nahebben nagenoten
julliegenieten nagenoten nahebben nagenoten
zij, zegenieten nagenoten nahebben nagenoten