Omdopen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdoop omdoopte omheb omgedoopt
jij, je, udoopt omdoopte omhebt omgedoopt
hij, zij, hetdoopt omdoopte omheeft omgedoopt
wijdopen omdoopten omhebben omgedoopt
julliedopen omdoopten omhebben omgedoopt
zij, zedopen omdoopten omhebben omgedoopt