Omzeggen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzeg omzegde om;zei omheb omgezegd
jij, je, uzegt omzegde om;zei omhebt omgezegd
hij, zij, hetzegt omzegde om;zei omheeft omgezegd
wijzeggen omzegden om;zeiden omhebben omgezegd
julliezeggen omzegden om;zeiden omhebben omgezegd
zij, zezeggen omzegden om;zeiden omhebben omgezegd