Wijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwijkweekben geweken
jij, je, uwijktweekbent geweken
hij, zij, hetwijktweekis geweken
wijwijkenwekenzijn geweken
julliewijkenwekenzijn geweken
zij, zewijkenwekenzijn geweken