beringen

Conjugations List of Beringen.
Presens
Imperfectum
Perfectum
ikberingberingdeheb beringd
jij, je, uberingtberingdehebt beringd
hij, zij, hetberingtberingdeheeft beringd
wijberingenberingdenhebben beringd
jullieberingenberingdenhebben beringd
zij, zeberingenberingdenhebben beringd

Presens

Example presens sentences for Beringen with some of the pronouns.

  • Ik bering nu de oude documenten.
  • Jij beringt de vogels in het park.
  • Hij/Zij/Het beringt de bomen in de tuin.
  • Wij beringen de sieraden voor de tentoonstelling.
  • Zij beringen de schapen op de boerderij.

Imperfectum

Example imperfectum sentences for Beringen with some of the pronouns.

  • Ik beringde gisteren de oude documenten.
  • Jij beringde de vogels in het park vorige week.
  • Hij/Zij/Het beringde de bomen in de tuin afgelopen maand.
  • Wij beringden de sieraden voor de tentoonstelling vorig jaar.
  • Zij beringden de schapen op de boerderij enkele jaren geleden.

Perfectum

Example perfectum sentences for Beringen with some of the pronouns.

  • Ik heb de oude documenten beringd.
  • Jij hebt de vogels in het park beringd.
  • Hij/Zij/Het heeft de bomen in de tuin beringd.
  • Wij hebben de sieraden voor de tentoonstelling beringd.