Verhonderdvoudigen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverhonderdvoudigverhonderdvoudigdeheb verhonderdvoudigd
jij, je, uverhonderdvoudigtverhonderdvoudigdehebt verhonderdvoudigd
hij, zij, hetverhonderdvoudigtverhonderdvoudigdeheeft verhonderdvoudigd
wijverhonderdvoudigenverhonderdvoudigdenhebben verhonderdvoudigd
jullieverhonderdvoudigenverhonderdvoudigdenhebben verhonderdvoudigd
zij, zeverhonderdvoudigenverhonderdvoudigdenhebben verhonderdvoudigd